terug naar overzicht

Eerder berichtten wij u omtrent de problematiek van de onduidelijke vraagstelling en instructies bij de verplichting tot het meedelen van de identiteit van de bestuurder die een overtreding beging met een voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon. Inmiddels heeft het Hof van Cassatie, het hoogste rechtscollege in België, een arrest geveld dat meer duidelijkheid zou moeten scheppen.

Indien een overtreding wordt begaan met een voertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon (NV, BV, etc.), rust op grond van art. 67ter van de Wegverkeerswet op de rechtspersoon of de natuurlijk persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt de verplichting om de identiteit van de bestuurder mee te delen of, indien de identiteit van de bestuurder niet gekend is, de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig.

Sinds de invoering van de nieuwe procedure tot het innen van geldboetes naar aanleiding van een verkeersovertreding, via de website www.verkeersboetes.be, bestond er heel wat onduidelijkheid omtrent de vraag of de brieven die door de politie worden verstuurd ook een vraag naar de identiteit van de bestuurder bevatten.

De verstuurde brieven vermelden wel de verplichting voor de rechtspersoon om de identiteit van de bestuurder mee te delen, maar dit enkel onder het gedeelte “Hoe betwist u de verkeersboete?”. Om de identiteit effectief mee te delen, moet u tevens surfen naar de website www.verkeersboetes.be en daar het betwistingsformulier invullen.

Er ontstond onduidelijkheid. Meer bepaald rees de vraag of de identiteit van de bestuurder enkel diende te worden meegedeeld indien de geldboete en de verkeersovertreding werden betwist. Wanneer u de boete niet betwistte, kon de indruk ontstaan dat u de identiteit niet diende mee te delen.

In de rechtspraak was er een strekking die inderdaad oordeelde dat, omwille van de onduidelijkheid van de opgestuurde brieven en instructies, er geen sprake was van een vraag tot mededeling van de identiteit van de bestuurder. Bijgevolg kon er geen veroordeling worden uitgesproken op grond van art. 67ter van de Wegverkeerswet.

Inmiddels floot het Hof van Cassatie deze rechtspraak terug.

Het Hof oordeelde in een arrest van 7 januari 2020 (P.19.1123.N/5) dat de verplichting tot mededeling van de identiteit van de bestuurder een verplichting is die voortvloeit uit de wet en dat elkeen wordt geacht de wet te kennen. Die verplichting vloeit aldus niet voort uit een bericht daarover in de opgestuurde onmiddellijke inning of in een antwoordformulier, maar louter uit de wet zelf.

De vraag naar de identiteit van de bestuurder is bovendien niet onderworpen aan bepaalde vormvereisten. Het volstaat dat de betrokkene op grond van de hem ter beschikking staande gegevens weet op welk voertuig, tijdstip, plaats en overtreding de vraag naar de identiteit betrekking heeft.

Dat de vraag naar de identiteit onduidelijkheden of onvolkomenheden zou bevatten, is volgens het Hof aldus niet relevant en kan niet leiden tot een vrijspraak voor een overtreding van art. 67ter Wegverkeerswet.

Met andere woorden, wanneer u als rechtspersoon wordt ingelicht omtrent een overtreding begaan met een voertuig ingeschreven op naam van de rechtspersoon, moet u weten dat de wet u verplicht de identiteit van de bestuurder mee te delen.

U hoeft deze plicht evenwel enkel te vervullen wanneer u daartoe een vraag krijgt, maar op welke wijze deze vraag wordt gesteld, speelt geen rol aldus het Hof van Cassatie.

Dat de vraag onduidelijk zou zijn of dubbelzinnige instructies zou bevatten, is menens het Hof irrelevant. Het loutere feit dat een vraag is gesteld, op welke wijze deze ook wordt geformuleerd, volstaat opdat de termijn van 15 dagen om de identiteit mee te delen een aanvang zou nemen.

Het Hof legt aldus alle verantwoordelijkheid bij de rechtspersoon die zelf dient uit te maken wanneer al dan niet wordt gevraagd naar de identiteit van de bestuurder.

In dat opzicht is het volstrekt onbegrijpelijk waarom de overheid er maar niet in slaagt om haar rechtsonderhorigen op een duidelijke wijze te informeren en op een ondubbelzinnige wijze te vragen naar de identiteit van de bestuurder.

De discussie is met dit arrest evenwel niet volledig afgesloten.

Indien u geconfronteerd zou worden met een vervolging wegens een schending van art. 67ter Wegverkeerswet, kan wel nog steeds, zoals het Hof zelf suggereert, het bewijs worden geleverd dat er sprake was van een zogenaamde onoverkomelijke dwaling. Dit impliceert dat moet worden bewezen dat de u hebt gehandeld zoals ieder ander redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde situatie zou hebben gehandeld en dat dus ook deze “goede huisvader” niet aan de verplichting tot mededeling van de identiteit van de bestuurder had kunnen voldoen.

Het Hof van Cassatie oordeelde immers louter dat de rechtbanken niet kunnen vrijspreken omdat de vraag naar de identiteit onduidelijk zou zijn. De rechtbanken kunnen uiteraard nog steeds op basis van de concrete elementen in het dossier oordelen dat er sprake is van een onoverkomelijke dwaling en dat niet voldaan kon worden aan de verplichting tot mededeling van de identiteit.

Dit dient uiteraard steeds dossier per dossier te worden beoordeeld.

Naar onze mening kan beargumenteerd worden dat het geven van dubbelzinnige instructies en het stellen van onduidelijke vragen aan de oorsprong kunnen liggen van een onoverkomelijke dwaling. Of ook de rechtspraak deze zienswijze volgt, zal nog moeten blijken.

Dit wordt ongetwijfeld nog vervolgd.

Hebt u omtrent deze problematiek vragen of ontving u een boete of dagvaarding omdat u de identiteit van de bestuurder niet zou hebben meegedeeld? Aarzel dan zeker niet ons te contacteren.

Vincent TLA

Vincent

Van der Mast

Deze website maakt gebruik van cookies om ervoor te zorgen dat u de beste surfervaring op onze website krijgt. Meer info